Door: Kasper Baggerman

14 oktober 2019



Onder Nederlanders is de grote stad helemaal niet zo populair


Hoge woningprijzen in de grote steden suggereren dat steeds meer mensen in de stad willen wonen. Maar is dat ook echt zo? En wie zijn die mensen dan precies? In de publicatie ‘Trek van en naar de stad’ concludeert het PBL dat het positieve vestigingssaldo in de stad primair door buitenlandse jongeren wordt veroorzaakt. Kortom: als we puur naar binnenlandse verhuisstromen kijken, lijkt het dus wel mee te vallen met de populariteit van de grote steden.


Het Planbureau voor de Leefomgeving onderzocht verhuisstromen in de grote steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven en Groningen over de periode 1995-2018. Daarbij werden verschillende leeftijdsgroepen en herkomst- en bestemmingslocaties onder de loep genomen, om een zo compleet mogelijk beeld van de trek naar de stad te krijgen. Volgens het planbureau onderscheidt deze brede benadering de publicatie van eerdere onderzoeken, waarbij enkel specifieke groepen of een korte tijdsperiode werden geanalyseerd.

Meer stadsbewoners uit het buitenland

Vanaf 2006 signaleert het PBL een nieuwe tendens: nieuwe stadsbewoners komen niet langer hoofdzakelijk uit Nederland, maar uit het buitenland. Het gaat volgens het planbureau om een zeer diverse groep: gezinsmigranten, buitenlandse studenten, arbeidsmigranten, expats, kenniswerkers en statushouders. Als deze groep niet wordt meegerekend, is het netto vestigingssaldo in de onderzochte steden negatief.

De resultaten van dit onderzoek laten verder zien dat de trek van en naar de stad in de afgelopen 22 jaar een vaste basis kende: vooral jongeren (18-24 jaar en in mindere mate 25-29 jaar) verhuizen naar de grote steden, terwijl mensen van dertig jaar en ouder de stad vaker verlaten. Zij gaan op zoek naar ruimere woningen in de gemeenten rondom de grote steden.

Wel neemt laatste jaren neemt de trek van jongeren uit Nederland naar de stad af, volgens het PBL mogelijk door de sterk gestegen woonkosten in combinatie met het in 2015 ingevoerde leenstelsel voor studenten.

Verschillen tussen de steden

‘Het patroon van de jongeren die komen en de dertigers die de steden verlaten, zien we in alle zes de onderzochte steden terug,’ zegt Jolien Groot, onderzoeker woon-werkpatronen en vestigingsplaatsoverwegingen bij het PBL en medeauteur van de publicatie. ‘Tussen deze steden zijn er wel duidelijke verschillen. Vooral Amsterdam valt op. Daar zien we een flinke terugloop in het aantal jongeren ofwel studenten dat zich er vestigt, een grotere uitstroom van dertigers en een grotere toestroom van buitenlandse bewoners. Amsterdam internationaliseert dus.’ Verder is ook de terugloop van studenten groot in Utrecht en doet zich ook in Den Haag een sterke stijging van nieuwkomers uit het buitenland voor.

Extrapoleren is lastig

Volgens Groot is het lastig om te voorspellen of de huidige trends met toestroom van jongeren en buitenlanders en uitstroom van 30-plussers door zullen zetten. ‘Deze ontwikkelingen zijn afhankelijk van een groot aantal factoren. Denk bijvoorbeeld aan de invoer van het leenstelsel, dat een duidelijke invloed heeft op de jongste groep bewoners. Indien de politiek besluit om dit stelsel aan te passen, zal dat een effect hebben op de cijfers.’ Ook de economische situatie in Nederland is van belang, aldus Groot. ‘De economische aantrekkingskracht is van grote invloed op de aantrekking van nieuwkomers uit het buitenland.’ Als deze economische situatie dus verslechtert, door bijvoorbeeld een conjunctuurschommeling of een economische crisis, zal de toestroom van buitenlanders naar de stad ook afnemen.

Implicaties voor beleid

Volgens het PBL is inzicht in verhuisstromen van belang voor de planning van woningen en voorzieningen, zowel in grote steden als daarbuiten. Groot: ‘Met inzicht in welke bevolkingsgroepen waar wonen kun je gericht bouwen voor bepaalde huishoudtypes. Tegelijkertijd laten de cijfers van de afgelopen negentien jaar duidelijk zien dat veranderingen onverwacht kunnen optreden en dat extrapoleren naar de toekomst dus lastig is. Dat kun je als pleidooi voor adaptief plannen interpreteren, bijvoorbeeld met het bouwen van flexwoningen. Die optie gaan we in de toekomst nader onderzoeken.’