Door: Team Stadszaken.nl

06 mei 2020



Hoe Saasveld zorgde voor efficiënter boeren, meer natuur, fietspaden en minder stikstof

Landinrichting als instrument voor duurzame gebiedsontwikkeling


Woningbouw aan stadsranden. Windparken op land. Meer ruimte voor natuur en rivier. Koeien meer de wei in. Stikstof. Het zijn allemaal maatschappelijke opgaven die een beroep doen op de schaarse landelijke ruimte. Een manier om zulke gebiedsdoelen integraal en duurzaam aan te pakken, is landinrichting.


Dit artikel verschijnt ook in vakblad ROm. ROm is gratis voor ambtenaren in het domein van de fysieke leefomgeving. Word nu abonnee.

Door Karl Adams

Nederland staat voor een ongekend aantal maatschappelijke opgaven die allemaal ruimte vragen. We kennen ze allemaal: de energietransitie, met windparken en zonneweiden op land; de woningnood schreeuwt om bouwruimte en lonkt naar de buitengebieden; Natura 2000-doelstellingen vragen om versterking van natuur; verbreding van rivieren en duinrijen, kringlooplandbouw, bodemdaling, stikstof. ‘Ze vragen allemaal om een herschikking van de beschikbare ruimte of om het toevoegen van nieuwe functies in het gebied. In feite moet je Nederland opnieuw indelen’, constateert Bert Hoeve, directeur Landregistratie & Geografie bij het Kadaster.

Wanneer je functies van een gebied wilt verplaatsen of nieuwe wilt toevoegen, dan heb je het over het schuiven met en uitruilen van grondeigendom en grondgebruik. Het instrument van gebiedsontwikkeling hiervoor is landinrichting, memoreert Hoeve. ‘Het Kadaster is vanuit zijn wettelijke taak adviseur en procesbegeleider bij landinrichting. De kracht van dit instrument is opnieuw actueel.’ Hoeve wijst op de eind vorig jaar door de Tweede Kamer aangenomen motie van de Kamerleden Moorlag en Smeulders over de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De regering brengt op hun verzoek in beeld hoe landinrichting ingezet kan worden bij het herschikken van functies in het landelijk gebied, als bijdrage aan oplossingen voor bijvoorbeeld klimaat en kringlooplandbouw.

Integrale gebiedsontwikkeling

Een voorbeeld van een landinrichtingsproject waarbij verschillende doelen tegelijk zijn gerealiseerd, is Saasveld-Gammelke, een gebied van ongeveer 3000 hectare tussen Oldenzaal en Hengelo. Binnen een straal van tien kilometer van het project liggen diverse Natura 2000-gebieden, waaronder de Lemselermaten. Hans Maalderink was projectleider van de Provincie Overijssel bij dit project, dat in 2018 werd afgerond. Het belangrijkste doel was het verbeteren van de versnipperde landbouwstructuur, zegt hij. ‘Wanneer je grond beter bij elkaar ligt, kun je efficiënter werken met minder transportkosten en heb je minder landbouwverkeer op de weg. Daarnaast hebben we doelen toegevoegd voor natuur, waterbeheer, recreatie en landschap.’


Schets van de herinrichting in Saasveld-Gammelke

Agrariër Arie Mentink was voorzitter van de Grondcommissie en kent het gebied op zijn duimpje. ‘De provincie was akkoord met landbouwstructuurverbetering, mits inderdaad natuur, water en recreatie ook werden gerealiseerd. Boeren willen natuurlijk goed bewerkbare percelen en geen drassige kavels. Uiteindelijk zijn ook de boeren positief over de verkaveling. Waterlopen en beken zijn ingepast voor een goede afwatering en er kwamen bredere stroken voor de Deurningerbeek om te meanderen. Voor de Gammelkerbeek, Saasvelderbeek en Lemselerbeek kwamen beplantingsstroken.’ Meandering, waterberging, peilverhoging: er was inderdaad de nodige vrees bij landbouwers voor extra natte voeten, herinnert Maalderink zich. ‘Maar het pakte allemaal goed uit.’

Bedrijfsverplaatsing

Ook de aanleg van recreatie en natuur ontstond volgens Mentink in een goede wisselwerking met de boeren: ‘Door verkaveling van landbouwgrond werd zeventien kilometer aan fietspad aangelegd. Nu kunnen er twee fietsers naast elkaar fietsen zonder dat ze de veelal drukke wegen met landbouwverkeer op moeten. Een win-winsituatie. Bovendien zie je in het landschap houtsingels, houtwallen, slootjes, nieuwe beplanting en bosjes. Je hoort het nog steeds van recreanten en natuurmensen: Saasveld-Gammelke is heel leuk en divers geworden.’

‘Door verkaveling van landbouwgrond werd zeventien kilometer fietspad aangelegd’

Het landinrichtingsplan voorzag in het vrijmaken van een locatie dicht bij natuurontwikkelingsgebied Handijksmeden. Daar bevond zich het melkveebedrijf van Johan Arkink. Aangezien het ging om een wettelijk verplicht project, stond Arkink voor de keuze. ‘De overheid verplicht sinds 2010 dat je een grotere huiskavel moet hebben als je je koeien meer de wei in wilt laten grazen. Maar ik zou juist moeten krimpen op de oude plek. Als ik bleef zitten, zou ik langzaam “doodbloeden”. Me laten opkopen en stoppen was geen optie: mijn zoon wilde door. Verhuizen naar een compleet andere plek in het land was moeilijk bespreekbaar voor de rest van de familie. Uiteindelijk is vanuit het project op een nieuwe locatie, relatief dichtbij grond aangekocht en een nieuw bedrijf gebouwd. We hebben afscheid genomen van mijn geboorteplek, maar er wel een toekomst voor terugkregen. Ik had 34 hectare grond en 100 koeien. Nu heb ik 42 hectare met 130 koeien.’

Effecten van landinrichting op verlagen stikstofdepositie
Wanneer je binnen een gebied minder grondgebruik met stikstofuitstoot wilt realiseren, kun je denken aan het verplaatsen van boerderijen dan wel uitplaatsen, of veehouderij ruilen met akkerbouw. Minder mest geeft minder ammoniakuitstoot (stikstof). Zo ook in Saasveld-Gammelke. Het bedrijf van Arkink werd herplaatst op een locatie dichter bij het Natura 2000-gebied Lemselermaten. De stijging van stikstofdepositie daar werd gecompenseerd binnen het gebied doordat drie andere boerderijen verplaatst werden en zeven bedrijven de mogelijkheid kregen om te stoppen. Ook stootten drie bedrijven vee af. Per saldo nam de stikstofdepositie hierdoor af. Daarnaast is binnen 3000 meter van de Lemselermaten 86 hectare nieuwe natuur tot stand gebracht. Het totale effect van de maatregelen zorgde voor een vermindering van de stikstofdepositie van 36,24 mol zuur/ha per jaar.

Provincie stelt kaders

Provincie Overijssel en Gedeputeerde Staten stellen het landinrichtingsplan vast met de maatregelen voor het gebied, zo schetst Maalderink. ‘De provincie benoemt de uitvoeringscommissie en volgt daarbij de Wet inrichting landelijk gebied (WILG, red.). Dit zijn in feite de spelregels waarbinnen je moet werken. Soms keken we zelfs verder dan alleen de regels. Zo hebben we op verzoek van de dorpsraden Saasveld en Hertme een klootschietbaan gerealiseerd die niet in het landinrichtingsplan stond.’

‘We hebben eerst alle eigenaren, hun rechten en de gebiedskenmerken in kaart gebracht’, legt Hoeve van het Kadaster uit. ‘Vervolgens hebben we tijdens gezamenlijke, interactieve sessies de wensen van de eigenaren geïnventariseerd en vertaald naar ruimtelijke mogelijkheden. Daarna hebben we hun ideeën samengebracht met de doelstellingen die de provincie van tevoren voor dit project had geformuleerd. Op basis daarvan hebben we voorstellen gedaan en op haalbaarheid en efficiëntie getoetst. Het resultaat was een ruilplan met een nieuwe rechtszekerheidssituatie voor elke partij, inclusief de financiële verrekening.’

‘Het is belangrijk om elkaar wat te gunnen’

Volgens Mentink kenmerkte het hele proces zich door een grote openheid en harmonie: ‘Het is belangrijk elkaar in de waarde te laten, elkaar wat te gunnen.’ Maalderink vult aan: ‘Als mensen grond moeten afstaan, ontstaat emotie. We hebben met z’n allen veel aan keukentafels gezeten, we zijn veel het gebied ingegaan, hadden als projectleiders korte lijntjes. Het Kadaster heeft daarbij de regie en coördinatie genomen en kon altijd zuiver alternatieven en opties uitwerken: Wat is voor het gebied het beste?; Hoe wordt de koek zo goed mogelijk verdeeld?’ Arkink: ‘Het Kadaster kan het onafhankelijk benaderen: zo is het, zo gaat het worden. Het is lastig om het alleen van papier of vanuit kantoor te bekijken, je hebt met mensen te maken. Het Kadaster heeft letterlijk bij ons in het veld gestaan, om te kijken of het allemaal wel klopt.’

Verplicht versus vrijwillig verkavelen

Volgens Maalderink hebben alle doelen in Saasveld-Gammelke een forse plus opgeleverd. Dat kon alleen omdat het ging om een verplichte verkaveling en een goedgevulde grondpot met verworven en te verdelen gronden, zegt hij. ‘Bij een vrijwillig project had je die doelen bij lange na niet gerealiseerd, dat weet ik honderd procent zeker.’ Maalderink ziet wettelijke trajecten niet per definitie als nadelig voor de inspraak van grondeigenaren. ‘In Olst-Wesepe hebben we een wettelijke verkaveling gedaan met de insteek van vrijwilligheid; we maakten het ruilplan samen met de eigenaren. Dat werkt uitstekend, mits je veel investeert in relatie en draagvlak.’

Een duurzame indeling van Nederland vraagt ingrijpende veranderingen in grondgebruik. Zeker de wens om stikstofneerslag te verlagen vraagt opnieuw veel van de agrarische sector. Hoeve: ‘Agrariërs zijn vanuit Europa jarenlang gestimuleerd te ondernemen zoals ze nu doen. We kunnen niet verlangen dat ze nieuwe noodzakelijke omschakelingen op eigen kracht moeten regelen. Het is een maatschappelijk probleem van ons allemaal. Je kunt daarbij overigens wel voorzien dat uitkoop duurder gaat zijn dan ruilen. Bovendien heb je bij uitkoop wel geld, maar geen bedrijf. Verplaatsen met vergunningen en eigendom helpt een ondernemer verder, zoals je zag bij Arkink.’ Maalderink ziet nog meer voordelen: ‘Door een betere verkaveling nemen de agrarische werkafstanden en verkeersbewegingen af, dat levert ook uitstootwinst op.’

‘Agrariërs kunnen de noodzakelijke omschakelingen niet op eigen kracht realiseren’

Het Kadaster voert op dit moment al verkavelingsanalyses uit voor de provincies Friesland, Zuid-Holland en Noord-Brabant om te kijken hoe landinrichting ook daar kan bijdragen aan het verlagen van de stikstofdepositie. Intussen laat melkveehouder Arkink het allemaal rustig op zich af komen. ‘Melkquota, fosfaatregels, schommelende melkprijzen, stijgende grondprijzen, CO2-regels, methaan en nu stikstof. Ik weet nog niet of stikstof roet in het eten gaat gooien. Ik zit nu goed, maar wel vlak bij een Natura 2000-gebied. Er is nog veel onduidelijk, maar we zijn gewend overal op in te spelen en hoog op kwaliteit te willen scoren. En dat zullen we blijven doen.’