Door: Kasper Baggerman

22 januari 2020


Foto: Thomas van Mens. Van der Pekbuurt, Amsterdam, één van de deelnemende wijken

Programma Aardgasvrije Wijken vraagt veel van gemeenten en businesscase is lastig


Woensdag presenteerde minister Knops (BZK) de eerste voortgangsrapportage van het Programma Aardgasvrije Wijken (PAW) aan de Tweede Kamer. Er lijkt schot te zitten in het programma, maar er zijn ook zeker verbeterpunten. Het programma vergt veel van gemeenten, een scherpe businesscase is soms lastig en warmtenetten blijken niet de heilige graal. We zetten deze en andere belangrijke bevindingen voor u op een rij.


Het Programma Aardgasvrije Wijken ging in 2018 van start. Inmiddels zijn de eerste 27 proeftuinen  aardgasvrije wijken aan de slag, verspreid over Nederland. Vandaag verscheen de eerste evaluatie van het programma.

De 27 projecten bevinden zich op dit moment in verschillende fasen. ‘Het grootste deel van de proeftuinen werkt toe naar uitgewerkte businesscases met een concreet aanbod voor de bewoners in 2020. Enkele proeftuinen zijn inmiddels gestart met de uitvoering,’ aldus de minister in een begeleidende brief aan de Kamer. De uitvraag voor de tweede lichting van 25 proeftuinen is gestart. Vooralsnog lijkt het Rijk vast te houden aan de bij het begin vastgestelde opzet: het Rijk als regisseur met een faciliterende rol, de gemeenten als uitvoerders van een contextspecifieke aanpak.

De gemeenten geven in de eerste evaluatie aan dat zij blij zijn een proeftuin te zijn. Het vergroot het draagvlak voor de energietransitie, geeft een impuls aan de transitie wat betreft de samenwerking met stakeholders en bewoners en het biedt mogelijkheden tot spin-off, waarbij andere wijken en dorpen belangstelling tonen.

Aanpak vraagt veel van gemeenten

Hoewel in alle proeftuinen concrete stappen zijn gezet, geven de gemeenten wel aan dat uitvoer van het programma veel van hen vraagt. Het invullen van de regierol vereist een ‘grote inzet’ van geld, mensen en middelen, waar de gemeenten niet altijd over beschikken. Hier spelen ook tekorten in het sociale domein parten. De gemeenten vrezen dat zij daardoor onvoldoende middelen hebben om in te zetten op klimaat en energie. Wel denken de gemeenten dat er koppelkansen zijn tussen de energietransitie en sociale opgaven in de wijk of buurt, zoals veiligheid, armoede en arbeidsparticipatie. Hoe dat koppelen precies moet, weten zij echter nog niet.

Om de proeftuinen tot een goed einde te brengen, is langdurig commitment van de gemeenteraad en het college van B&W nodig, schrijft minister Knops. Een enthousiaste wethouder is een belangrijke succesfactor, blijkt uit de evaluatie. Wethouders merken nu echter weinig van het programma. Om hun betrokkenheid te vergroten, wil de minister in 2020 doorgaan met het organiseren van bestuurlijke overleggen, waar bestuurders hun ervaringen kunnen delen.

Bewoners willen betaalbaarheid, gemak en rechtvaardigheid

Een goed participatieproces waarbij bewoners zich gehoord voelen, kan het draagvlak voor verduurzamingsmaatregelen sterken. ‘De participatie van en communicatie met bewoners en gebouweigenaren blijkt veel intensiever dan gedacht,’ schrijft minister Klop echter. De gemeenten zijn zoekende in hoe zij bewoners zo veel en zo goed mogelijk kunnen betrekken.

Uit verschillende participatietrajecten in de 27 proeftuinen kunnen een aantal algemene aanbevelingen worden gedestilleerd. Zo helpen laagdrempeligheid, lokale ambassadeurs, voorbeeldwoningen en het gebruik maken van al in de wijk bestaande netwerken bij het actief betrekken van bewoners. Ook is de inhoud van de boodschap van belang. De gemeenten geven aan dat bewoners over het algemeen veel waarde hechten aan betaalbaarheid, gemak en rechtvaardigheid.

Verder worstelen de gemeenten met hoe om te gaan met bewoners die pertinent niet aardgasvrij willen worden. Een mogelijke oplossing wordt nu gezocht in de Crisis- en Herstelwet. Het probleem treedt niet enkel op bij woningeigenaren. Een aantal gemeenten geeft aan dat het instemmingsrecht van 70 procent door huurders bij renovatie door corporaties belemmerend werkt.

Afhankelijkheid van markt maakt kwetsbaar

De wijkgerichte aanpak vergt een intensieve samenwerking met de markt. Denk dan aan woningcorporaties en netbeheerders, maar ook aan bouw- en installatiebedrijven. De gemeenten geven aan dat die afhankelijkheid van een groot aantal stakeholders het verduurzamingsproces kwetsbaar maakt, des te meer omdat al die partijen op vrijwillige basis meewerken.

Het intensieve samenspel vereist volgens de gemeenten ‘voor henzelf, de woningcorporaties en de netbeheerders een andere manier van werken,’ schrijft de minister. Om inzicht te krijgen in hoe die ‘andere manier van werken’ er precies uit moet zien, wil de minister dit jaar in overleg gaan met corporatiekoepel Aedes en Netbeheer Nederland.

Kostenplaatje soms onduidelijk of anders dan verwacht

Voor bewoners is betaalbaarheid één van de belangrijkste kwesties in de overstap naar duurzame energie. De meeste gemeenten streven daarom naar woonlastenneutraliteit, maar daarbij vormen de bijdrage aansluitkosten (BAK) en de afsluitkosten een belemmering. Deze vallen vaak hoger uit dan verwacht en worden dus niet makkelijk terugverdiend met lagere energielasten.

Daarnaast hebben gemeenten de businesscase voor de verduurzaming veelal nog niet scherp, waardoor er onduidelijkheid is over technische invullingen en het aanbod aan bewoners. Bovendien berusten de businesscases op veel aannames, bijvoorbeeld over rendement, investeringskosten en afschrijftermijnen.

Wijkaanpak leent zich niet voor warmtenetten

Het staat de deelnemende proeftuinen vrij om een technische oplossing te vinden die het best past bij het gebied. De gemeenten geven daarbij aan naar een balans te zoeken tussen energie besparen en duurzame warmtevoorzieningen, maar vinden die soms lastig te bepalen. Bovendien wordt de keuze voor technische systemen volgens de gemeenten bemoeilijkt door beeldvorming onder burgers, over bijvoorbeeld biomassa, restwarmte en waterstof. Ook op dit vlak zouden de gemeenten dus graag eenduidige communicatie vanuit het Rijk zien.

Vooralsnog blijken warmtenetten niet de heilige graal in de energietransitie. Ervaringen met de technologie leren dat deze zich niet goed leent voor een wijkgerichte aanpak. Er is op dat schaalniveau te weinig draagvlak voor een rendabele businesscase. Ook geven de gemeenten aan dat zij niet voldoende kunnen sturen op het borgen van het publieke belang bij warmtenetten. Er zijn twijfels over hoe de precieze verdeling tussen publiek en privaat eruit moet zien, waarbij meerdere gemeenten aangeven een grotere rol te zien voor het publieke domein.

Het volledige rapport vindt u hier