Door: Jan Jager

05 augustus 2019



Leergang detailhandel moet ommekeer teweegbrengen


Zo goed als het gaat met de economie van Zuidoost-Brabant, zo slecht staat het er voor met de detailhandel. De verdiencapaciteit is te laag, er zijn té veel winkels, er is té veel van hetzelfde aanbod en het ontbreekt aan innovatiekracht. Een ‘Leergang Detailhandel’ voor ambtenaren moet helpen een ommekeer teweegbrengen, in eerste instantie in het denken. Dat is gelukt. Maar hoe komen we daadwerkelijk we tot minder en beter aanbod?


Stadszaken sprak met initiatiefnemers Elles Aertsen en Ans Leloux en cursist Jolanda van Rooy van de gemeente Gemert-Bakel. ‘Goed detailhandelbeleid doe je niet alleen.’

Gemeentebestuurders in de regio Zuid-Oost Brabant waren flink geschrokken van bovenstaande harde conclusies uit het koopstromenonderzoek, dat begin 2018 werd uitgevoerd. De Metropoolregio Eindhoven (MRE) en de provincie Noord-Brabant hebben daarom het initiatief genomen om een ‘Leergang Detailhandel’ voor beleidsambtenaren op te zetten. Het was tevens bedoeld om het onderwerp detailhandel op de agenda te houden, ondanks naderende gemeenteraadsverkiezingen van 2018 en de bestuurswisselingen die erop volgden. Die opzet lijkt vooralsnog geslaagd.

Medio mei 2018 is een kernteam geformeerd met ambtelijke afvaardiging van de bestuurlijke ‘Werkplaats Werklocaties’ uit vier subregio’s (de Peel, stedelijk gebied Eindhoven, de Kempen en A2-gemeenten), de provincie, de MRE en Fontys Hogeschool. Doel was om per subregio een leergang uit te rollen op basis van de volgende uitgangspunten:

Tijdens een programma, waar ook de landelijke Retailagenda inhoudelijk aan bijdroeg, is onder meer aandacht besteed aan identiteit, sociale meerwaarde, vastgoed, centrummanagement, procesbegeleiding, placemaking, de landelijke Retailagenda zelf, de retailadviescommissie, toekomstverkenningen, samenwerking in de regio en bewustwording. ‘De leergang ging ons niet in eerste instantie om de kennisoverdracht, maar vooral om de samenwerking die we met de leergang wilden bestendigen en versterken’, zegt Ans Leloux, strategisch adviseur bij de MRE.

Samenwerking en bewustwording

‘Een goed detailhandelbeleid begint met samenwerking’, benadrukt Elles Aertsen, beleidsadviseur werklocaties en projectleider detailhandel bij de provincie Noord-Brabant. ‘We merken dat de 21 gemeenten in de regio Zuid-Oost Brabant die in de leergang participeerden, nu al veel meer werken vanuit een gezamenlijk blikveld. Zij hebben allemaal wel een eigen gemeentelijke detailhandelvisie, maar de leergang biedt ambtenaren van de aangesloten gemeenten nu ook écht de motivatie en houvast om door te pakken.’

Daarnaast is er een afsprakenkader in de maak voor regionaal detailhandelbeleid, die naar verwachting over 1,5 jaar af is. ‘Dit is heel belangrijk. Maar tot die tijd kunnen we niet stil zitten,’ benadrukt Leloux. ‘Daarvoor is de urgentie te hoog.’

Het was een tegenvaller voor zowel Leloux als Aertsen dat in de periode waarin de leergang plaatsvond besloten werd dat de MRE niet meer over detailhandel gaat. ‘Met de leergang hebben we de betrokkenheid bij detailhandel door de MRE nog een jaar kunnen rekken’, zegt Aertsen. Ondertussen waren ambtenaren die de leergang volgden ontzettend enthousiast. Leloux: ‘Zij blijven er bij bestuurders op aandringen om samen te werken en kennis te delen.’

Niet blindstaren op bestemmingsplan

De leergang heeft volgens Leloux en Aertsen bijgedragen aan het gevoel van urgentie en het besef dat conventionele middelen niet meer voldoende zijn. Desondanks noemt ze een bij uitstek conventioneel instrument, het bestemmingsplan, als belangrijkste pijler onder een goed detailhandelbeleid. ‘Maar het bestemmingsplan is ook een traag instrument met een doorlooptijd van twee jaar’. Aertsen: ‘Daarom hebben we er tijdens de leergang op gehamerd dat je niet moet wachten tot iemand een plan indient, maar je morgen moet beginnen met het formuleren van een visie. Een effectieve uitvoering van een detailhandelagenda begint met het formuleren van een goede ruimtelijke visie, bijvoorbeeld voor een compact centrumgebied.’

Spookbestemmingen

Leloux wijst erop dat marktijen vaak heel goed weten hoe het planninginstrumentarium werkt. ‘Supermarktbedrijven pluizen bestemmingsplannen tot in detail uit op mogelijkheden om ergens een nieuwe vestiging te openen, ook als dat vanuit beleidsdoelstellingen van de gemeente onwenselijk is. Gemeenten op hun beurt hebben jarenlang niet doorgehad dat er “spookbestemmingen” waren, tot er opeens een plan wordt ingediend en in beginsel niet kan worden geweigerd. Tenzij er een goed beleid ligt dat als grond kan worden aangewend om een aanvraag niet te honoreren’. Aertsen: ‘Begin dus met een visie. En kijk wat je kan transformeren naar andere functies. Zodra er een plan komt, dan kun je het daarop toetsen’.

Vastgoedrekenen, Aldi en Albert Heijn

Omdat de werkelijkheid complexer is geworden en de opgave sectoren overschrijdt, wilden Leloux en Aertsen een brede dialoog op gang brengen, niet alleen tussen gemeenten en tussen ruimtelijke en economische ambtenaren onderling, maar ook met de vastgoedbranche en winkelbedrijven zelf. Zo maakte een sessie vastgoedrekenen onderdeel uit van het “curriculum”. Leloux: ‘Dat is handig, want zo weet je hoe gesprekspartners aan de andere kant van de tafel denken’.

Op de afsluitende bijeenkomst van de leergang waren ook de Aldi en Albert Heijn vertegenwoordigd. Aertsen: ‘Zij gaven een presentatie over hoe zij in de wedstrijd staan. Het was zeer interessant om meer te leren over de afwegingen die een supermarkt maakt en ook om de verschillen tussen deze twee bedrijven te zien. Beide winkelbedrijven zijn belangrijk voor een centrumgebied omdat ze een trekker van jewelste zijn. Het is daarom belangrijk om tot goede afspraken te komen met supermarkten. Daarvoor is het goed dat je weet hoe een supermarktconcern of –ondernemer denkt.’

Knowhow

Leloux: ‘Uiteindelijk heb je als gemeente vaak weinig invloed op de wil van een supermarktbedrijf. Je moet je realiseren dat het directe belang van een supermarkt bijna altijd anders is dan het belang van de gemeente. Onderhandelen met een supermarkt kan daardoor best lastig zijn. En omdat veel gemeenten klein zijn, hebben ze ook niet altijd de juiste knowhow om een grote supermarktketen tegenspraak te bieden, of gemeenten worden tegen elkaar uitgespeeld.’

Leloux vervolgt: ‘Wat de leergang in elk geval heeft opgeleverd is dat ambtenaren in de regio nu dezelfde taal spreken. En ze bellen elkaar op. Dat is nodig, want er komt veel op ambtenaren af. Ze kunnen niet altijd op alle borden tegelijk schaken. Waardevolle ervaring en knowhow van collega’s is onmisbaar. Je kan niet altijd het wiel zelf uitvinden. En de cursisten leerden met andere ogen naar centrumgebieden kijken. Niet enkel in termen van problemen, maar vooral ook in termen van kansen.’

Jolanda van Rooy, programmamanager economie van de gemeente Gemert-Bakel, was een van de cursisten. ‘Wat wij doen in de gemeente Gemert-Bakel heeft veel overlap met andere gemeenten. De cursus gaf een prachtige gelegenheid om kennis en ervaringen met elkaar te delen. Je merkt dat ook na de cursus de lijnen onderling korter zijn geworden en het gevoel van urgentie om in te grijpen en samen te werken aan een gezonder winkellandschap is gegroeid.’

Schouw

De cursus vond niet alleen in achterafzaaltjes plaats, maar vooral ook in de centrumgebieden van de steden en dorpen zelf. De modules, die telkens bij een andere gemeente in de vier subregio’s plaatsvonden, werden namelijk standaard voorafgegaan door een ‘schouw’ in het plaatselijke centrumgebied. Die schouwen waren zo succesvol, dat de gemeenten ermee zijn doorgegaan, ofschoon de leergang al is afgerond.

Van Rooy: ‘Wij hebben ook een schouw georganiseerd in Gemert. Ik vond het erg waardevol om eens naar onze eigen kern te kijken door de bril van een buurgemeente. Maar we kregen ook bevestiging dat op zich goed op weg waren. Dat is ook fijn om te horen. Maar dat betekent niet dat we op onze lauweren kunnen rusten. De economie van het centrumgebied blijft veranderen.’

Resultaten

Dan de hamvraag: heeft de leergang al concrete resultaten opgeleverd? Zijn er pijnlijke, maar onvermijdelijke maatregelen getroffen? ‘In subregio De Kempen waren bestuurders van drie gemeenten allemaal in gesprek met dezelfde supermarkten. Nu gaan ze eerst met elkaar praten’, zegt Ans Leloux. Het is maar één voorbeeld. Écht tastbare resultaten laten natuurlijk iets langer op zicht wachten.

Elles Aertsen: In de bestuurlijke Werkplaats Werklocaties werd destijds geconstateerd dat alles wat je nu toevoegt consequenties voor vier andere ondernemers. Dat is een enorme winst. Men is zich ervan bewust dat de detailhandel een krimpeconomie is. Dan moet je ook een krimpbeleid voeren. We staan daarmee pas aan het begin.’

De leergang kostte natuurlijk geld dat de MRE en de provincie samen hebben betaald. Dat betekende ook dat het voor gemeenten niet vrijblijvend was. De opkomst was altijd nagenoeg 100 procent. Dat geeft aan hoe goed gemeenten het hebben gevonden. Wij zijn op dit moment de enige in Nederland. Dit verdient écht navolging’.

In een reactie stelt Kim Ruijs, projectleider Regionale Afstemming van de landelijke Retailagenda dat ze deze vorm van regionale samenwerking zoals de leergang toejuicht. 'De Retailagenda werkt op dit moment met STEC Groep aan een publicatie over regionale bestuurlijke samenwerking. De aanpak in Brabant spreekt veel gemeenten en provincies aan en wordt als voorbeeld genoemd hoe je regionale samenwerking een stap verder brengt'.